Vandaag ben ik naar de opticien geweest om mijn ogen te laten meten. Ik had al een paar keer flink hoofdpijn gehad bij het werken aan mijn computer en verder begon ik eigenlijk ook wat vaag te zien, bijvoorbeeld tijdens het autorijden.
Eigenlijk helemaal geen budget voor, nieuwe bril, maar wel belangrijk toch dat je goed kunt zien en vooral dat je geen hoofdpijn krijgt van de verkeerde spierspanningen op je ogen.
Na een uitgebreide meting in een piepklein hokje achter de winkel, laten we zeggen twaalf keer rechts, twaalf keer links: “Dit is glas 1, en dit is glas 2, welke is het beste?” “Eh.. 1, nee, eh.. 2″ terug in de winkel bij mijn dochter en mijn echtgenoot (tja, wat klinkt dat afstandelijk voor mijn eigen Bente en Rudi!) die gezellig aan het spelen waren met een houten trein en een kralenbaan of hoe je zo’n ijzerdraadplank ook noemt waar je kralen over de kronkels van gekleurde draden van ijzer kunt laten glijden. Even wachten en dan geholpen door die aardige Surinaamse man met zijn diepe basstem en zijn leuke grapjes, waar ik altijd meteen om moet lachen maar die ik dus niet onthoud. Hij wist het wel heel mooi te verkopen, eigenlijk het omgekeerde van wat meestal gebeurt. Eerst legde hij uit wat er eigenlijk aan de hand was. “Links en rechts komt er maar een kwartje bij”. Eigenlijk kwam het erop neer dat het probleem was, dat nu het lezen “begon te komen”, met andere woorden, ik ben nu niet meer alleen bijziend maar ook verziend en die twee heffen elkaar helaas niet op, zoals mij vroeger weleens is voorgehouden. Nou ja, een heel klein beetje dan. Eigenlijk een luxe probleem. Maar als je de hele dag aan het lezen bent krijg je er dus toch last van.
“Wordt het een leesbril of een multifocale bril?” vroeg de verkoper. “Nou, een leesbril vind ik dus niet praktisch,” legde ik uit, “want je gaat heus niet je ene bril afzetten om iemand aan te kijken en even op te staan en vervolgens die andere weer opzetten om verder te gaan met je werk”. “Niet praktisch dus,” zei de man en stond op, “ik zal het even nakijken, want dat is nogal prijzig, ik geloof zo’n driehonderd per glas”, zei de man. Hij kwam terug met een boekwerkje waar alle combinaties en prijzen in stonden. Via glazen van tweehonderd euro, dunne kunststof glazen, kwam hij bij goedkopere van honderdnegentien euro. Die zou hij doen, zei hij. Die zijn goedkoper en dan kun je het eerst proberen. Want daar moet je aan wennen. Okee, daar waren we het dan over eens. “O nee,” zei hij vervolgens, mijn bril onderzoekend, “ik zie nu dat je een prisma hebt. Die kunnen hier niet in”. Ik zag het al voor me, dat ik dan heel dikke glazen zou moeten nemen of zo. “Dan moet het toch een bril met dunne kunststof glazen worden, of van tweehonderd euro per stuk, dat kan ook,” zei hij, “of toch een aparte leesbril”. Hij rekende voor wat dan een leesbril met en een leesbril zonder ontspiegelde glazen kostte en zou er een montuurtje van zesendertig euro bijzoeken.
Uiteindelijk werd het een montuurtje van negenendertig euro en ontspiegelde glazen, want dat wou ik mezelf toch niet ontzeggen, ondanks dat het twintig euro scheelde.
Legt de man mij nog eens het testboekje van het bekende brillenmerk voor om te lezen. “Is het echt een groot verschil?” zei hij. “Of kan het misschien ook zonder?”
Dat noem ik nou omgekeerd verkopen, als je begrijpt wat ik bedoel.
Natuurlijk werd het wel een bril, die is nu dus besteld. We werden keurig uitgelaten, Bente die intussen al tien keer het woord genomen had en mij had willen meetrekken om ergens mee te spelen, ging nog even tegen de glazen deur staan om aan de andere kant de vriendelijke Surinaamse verkoper toe te lachen, en we stapten naar buiten.





